Lees eerst het volgende onderdeel om deze pagina beter te begrijpen:
Om een automatische test uit te voeren, zeker als je deze automatisch op een gepland moment laat starten, maak je gebruik van pipelines. Binnen een pipeline voer je een serie taken achter elkaar uit. Deze pipeline kan als doel hebben om een applicatie te releasen naar een omgeving of productie, maar kan ook slechts bedoeld zijn om een applicatie te testen op een bepaalde omgeving of vm.
Wanneer het gaat om automatische testen zijn er twee opties:
- Een specifieke pipeline gericht op automatisch testen. Deze draait meestal met een vaste frequentie.
- Een integratie binnen een bestaande development pipeline. Deze pipeline is meestal getriggerd door het opleveren van code in een bepaalde branch. Binnen deze pipeline wordt vervolgens een moment bepaald waarop de automatische testen gedraaid moeten worden.
Ongeacht of de automatische testen in een specifieke pipeline draaien of in een generieke pipeline, je moet ervoor zorgen dat de volgende stappen worden uitgevoerd in de pipeline:
- De testautomatiseringscode moet via een checkout geplaatst worden op de gewenste omgeving
- Indien nog niet aanwezig, moet software en tools noodzakelijk voor de automatische test op de omgeving voor de test geinstalleerd worden
- Indien nodig moet de testcode eerst worden gebouwd of gecompileerd voordat deze uitgevoerd kan worden.
- Als er voorbereiding nodig is, b.v. het toevoegen van data of het klaarzetten van bestanden, moet dit geregeld worden. Dit kan via scripts in de pipeline of via de testcode zelf.
- De automatische testen moeten uitgevoerd worden
- De testresultaten moeten gepubliceerd worden. Hierdoor worden de resultaten zichtbaar in Azure DevOps en kunnen ze bekeken worden in de pipeline-rapportages en testoverzichten
Belangrijke onderdelen
Als automatische tester zijn er twee belangrijke onderdelen, die je moet weten:
Toevoegen, wijzigen of uitvoeren van een pipeline
Het toevoegen van een nieuwe pipeline doe je door in het onderdeel pipelines op New pipeline te klikken. Een bestaande pipeline wijzig je, door op de drie puntjes te klikken naast de pipeline en hier de optie Edit te selecteren.
Hier zie je ook meteen de optie om een pipeline uit te voeren, als je dit wil doen op een niet ingepland moment
Plannen van een pipeline
Een pipeline kan op verschillende manieren gestart worden. De meest voorkomende zijn:
-
Bij een wijziging in de code (bijvoorbeeld een commit naar een branch)
-
Bij het openen of updaten van een pull request
-
Op een vast tijdstip of met een vaste frequentie
Wanneer een pipeline automatisch moet starten bij een wijziging in de code of bij een pull request, wordt dit meestal in de pipeline zelf ingesteld. Hierbij geef je bijvoorbeeld aan op welke branch de pipeline moet reageren.
Wanneer je een pipeline periodiek wil laten draaien, bijvoorbeeld elke nacht of meerdere keren per dag, gebruik je een scheduled trigger. Hiervoor open je eerst een bestaande pipeline op de hierboven staande wijze. Daarna klik je rechts bovenin op de drie puntjes en vervolgens op triggers.
Dit zal een scherm openen waarin je de frequentie kan invoeren
Het is ook mogelijk om triggers direct in de pipelineconfiguratie toe te voegen. Dit gebeurt meestal in een YAML-pipeline. Deze methode geeft meer controle, maar is ook iets technischer.
Agents
Het inrichten van een pipeline is slechts de eerste stap. De pipeline moet ook draaien tegen een VM aan. Een machine, waarbinnen de pipeline wordt uitgevoerd wordt een Agent genoemd. Dit wordt besproken in de volgende pagina
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.